Historie

Halverwegen de jaren ’60, wanneer de automarkt en productie van de XJ6 stabiliseert, begint Sir Williams Lyons aan zijn laatste opdracht voor Jaguar, de XJ Coupé. Hij begint met de ontwikkeling van een tweedeurs auto van het bestaande vierdeurs model van de XJ series I. Want in deze periode had de Amerikaanse markt al diverse populaire 2 deurs Coupé’s zoals de Mustang, Camaro, Javelin die naast een groot scala aan opties had ook zeer sportief waren. Dit zelfde gold ook voor modellen als de Mercedes SLC en de BMW CS uit de Europesche markt. Lyons voorzag voor Jaguar een gemiste kans als zij zich niet ook in deze markt zouden gaan mengen. Daarnaast was het bouwen van een Coupé een al langer gekoesterde droom voor Sir William Lyons. En zo werden er dus plannen gemaakt voor de ontwikkeling van een echte sport Coupé. Lyons liet een body van een XJ6 serie 1 brengen naar een van zijn geheime afdelingen waar hij een team de opdracht gaf deze vierdeurs te veranderen in een tweedeurs Coupé. Afhankelijk van welke motor er was gemonteerd, een 4,2 liter motor of een 5,3 liter motor, kreeg het prototype de codenaam XJ33 (4,2 liter) en XJ34 (5,3 liter) mee. Nadat dit studie model afgerond was, werd de opdracht gegeven om dit prototype te vernietigen. Dit is echter nooit gebeurt, want de auto is ‘illegaal’ achter gehouden en bewaard gebleven. Erg bijzonder, want hoeveel prototypes die geproduceerd worden komen in handen van particulieren? De auto heeft een aantal eigenaren gekent die de auto fraai gerestaureerd en bijzonder goed geconserveerd hebben. Jaguar heeft de auto overigens nooit opgeëist zodat de auto nog steeds in particulier bezit is. De auto is op dit moment in het bezit van een verzamelaar uit Australie. Dat het eerste studiemodel van de XJ Coupé bijzonder fraai is geworden, is mede door de restauratie die is uitgevoerd, op de foto’s hieronder te zien….

Na dit eerste studiemodel, dat in 1969 was afgerond, werden een groot aantal nieuwe prototypes geproduceerd waarmee Lyons duidelijk maakte dat zijn plannen serieus waren om een echte tweedeurs Coupé als produtiemodel te gaan produceren. Maar uiteindelijk heeft het publiek, op de introductie van Jaguar’s nieuwe Coupé, tot 1973 moeten wachten. Sir William Lyons, die voor Jaguar zijn laatste model ontwerpt, introduceerd deze fantastische auto in dat jaar voor het eerst aan het publiek op de motorshows van London, Paris en Frankfurt. Twee modellen zouden voorhanden komen, de 4,2 liter 6 cilinder en de 5,3 liter 12 cilinder, echter bleef de productie uit tot 1975. Dit als gevolg van onrust op de arbeidsmarkt met stakingen onder de werknemers van Brown’s Lane fabriek alsmede de gevolgen van mechanisch-technische problemen zoals windgeruis, stijfheid en wateroverlast. Er zijn in totaal zo’n 20 prototypes met de hand gebouwd, zowel RHD en LHD, om aan alle mankementen een einde te maken. Uiteindelijk werd productie van de XJ Coupé, Lyon’s droom, in het jaar 1975 een feit….

Sir William Lyons met één van prototypes die van de XJ Coupé’s , hier met knock off wired wheels. Op de foto hebben de ramen in de voordeur en achter nog scheerraampjes die bij het uiteindelijke model achterwegen waren gelaten. De achterlichtunit, die hier op de foto zijn afgeplakt, werden op het productiemodel gelijk gehouden aan die van de XJ series I.

Maar zoals gezegd moesten er een aantal problemen worden verholpen alvorens men met de eigenlijke productie kon beginnen. Allereerst was er een stijfheidsprobleem. Omdat de Coupé zonder B stijl was ontworpen ontstond er te veel torsie, deze werd uiteindelijk tot een minimum beperkt door de body op diverse belangrijke plaatsen te verstevigen. Dan was er ook nog het probleem van windgeruis dat als gevolg van het vaccüm dat ontstond achter de chromen windvanger aan de A-stijl van het voorraam. Ook de aansluiting tussen de voorraam en het achterraam, bij het ontbreken van de B-stijl, veroorzaakte windgeruis welke door een ingenieus kantelraam systeem (1e foto) werd verbeterd. Dit electrisch mechanisch systeem kreeg de bijnaam ‘ Monkey Climb ‘ en werd ontworpen door Jaguar’s hoofd ontwerper van dat moment, Cyril Crouch. Ondanks de verbeteringen werden de problemen van windgeruis en het perfect sluiten van het achteraam nooit echt helemaal opgelost. Het windgeruis was gereduceerd tot binnen de norm maar was voor enkele eigenaren nog steeds een kleine bron van ergernis was, maar werd ook zeker door velen voor lief genomen….

In 1975, het jaar waarop begonnen werd met de productie van de XJ Coupé was het XJ model inmiddels een serie verder, de series II. Er waren wereldwijd vier modellen beschikbaar, de Jaguar 4.2 Coupé, Jaguar 5.3 Coupé, Daimler Sovereign Coupé en de Daimler Double Six Coupé. Alleen in Noord-Amerika werden alleen de Jaguar modellen geleverd. De XJ Coupé werd gebouwd op het chassis van de reeds bestaande korte wielbasis model. De deuren waren 10 cm langer dan de gebruikelijke 4 deurs en waren tevens voorzien van extra verstevigingen en daarmee ook zwaarder waardoor gingen “doorhangen” en ze op termijn opnieuw bijgesleld moesten worden. Het dak, dat ook verstevigd was met geraffineerd weggewerkte pilaren die helemaal doorliepen tot het achterste gedeelte genereerde voor een groot gedeelte de stijfheid van de auto. Het dak werd bij elk model standaard bekleed met een zwart vinyl. Er is overigens één auto geproduceerd zonder venyl dak en wel voor Andrew Whyte wie voor Jaguar geen onbekende is. Hij schreef, net als Nigel Thorley en heel wat andere Jaguar fanaten, vele boeken over diverse Jaguars. Verder was er een mogelijkheid van een Webasto schuifdak, een extra optie van de Jaguardealers nadat de auto de fabriek had verlaten, maar die werd niet door veel kopers van een Coupé gekozen. Hierdoor zijn Coupé’s met zo’n schuifdak, mede door de beperkte productieaantallen, zeer zeldzaam. Op een aantal uitzonderingen na zoals vroege modellen en prototypes kregen alle twaalfcilinder motors standaard electrische brandstof inspuiting. De 4,2 liter zescilinder motors hadden de voor jaguar zeer bekende SU HIF carborateurs. Alle Europese modellen konden worden gekozen met een automatische versnellingsbak of met een handgeschakelde versnellingsbak met overdrive. De Noord-Amerikaanse modellen hadden standaard een automatische versnellingsbak….

Alle modellen uit Noord-Amerika hadden standaard airconditioning, voor de Europese markt was dit een optie. Dit zelfde gold ook voor de chromen wieldoppen die voor de Noord-Amerikaanse markt standaard waren en voor de Europese markt een optie. Ook waren de bumpers voor de Noord-Amerikaanse markt anders dan die uit Europa. In Amerika was er een regelgeving die bepaalde dat de voorheen chromen bumpers voortaan voorzien moesten worden van een rubberen bekleding waarin tevens de kniperlichten van de voorkant werden geplaatst. De Europese auto’s hadden nog de volledig chromen bumpers waarbij de knipperlichten onder deze chromen voorbumper waren gemonteerd. Een ander verschil tussen de modellen uit de twee continenten zijn de extra knipperlichten op de zijkant van de voor- en achterschermen die alleen op de Noord-Amerikaanse modelen zaten….

De banden die op de XJ gemonteerd werden kwamen van banden fabrikant Dunlop. Het waren de Dunlop SP radiaal banden met een v-groef profiel voor goede afwaternig bij natte weersomstandigheden. Dit profiel gaf tevens minder weerstand op het asfalt waardoor de band geruislozer was geworden. De typering van de band is: 205/70VR-15. Voor de Noord-Amerikaanse markt werden de banden voorzien van een witte bies aan de zijkant. De Coupé’s kregen nieuwe, ventilerende velgen met geïntegreerde gaten voor extra koeling van de remmen. De velgen werden standaard voorzien van een zilveren finish, de volledig verchroomde versie was een optie. De wieldop was voor alle modellen voorzien van chroom. Er was slechts één Coupé die de fabriek verliet met chromen spaakwielen. Jaguar’s engeneers waren om veiligheidsredenen, verminderde stevigheid en afname van handelbaarheid van de auto geen voorstander van spaakwielen. Toch zijn er een paar Coupé’s, die in navolging van die ene auto die de Jaguar fabriek uitrolde met wired wheels, ook voorzien werden van deze klassiek uitziende spaakwielen….

Productie cijfers van de XJ Coupé

Zoals bekend heeft de productie van de XJ Coupé van 1975 tot november 1977 geduurd. Er zijn in totaal tussen de 10.400 en de 10.480 XJ Coupé’s gebouwd maar deze cijfers zijn niet acuraat omdat verschillende bronnen, zoals onder andere de hoofd archivist van Jaguar, andere productie aantallen hanteren. Daarom is er telkens weer verwarring over hoeveel Coupé’s nou werkelijk van de band zijn gerold. Wat wel met zekerheid gezegd kan worden is dat het totaal gebouwde Coupé’s relatief beperkt is zodat het op dit moment onder Jaguar liefhebbers en verzamelaars het een geliefde auto is geworden. Kenners zeggen dan ook dat de waarde van een XJ Coupé mede op basis van haar zeldzaamheid alleen maar verder gaat toenemen….

De XJ Coupé werd gebouwd in de psychodelische jaren zeventig en dat leverde dan ook in de kleurstellingen van de auto een keur van bijzondere kleuren op. In de 70’s, de zelfde jaren dat er in Engeland vele arbeidsplaatsen verdwenen en dus ook bij werknemers van British Leyland, waren de kwaliteitscontroles van Jaguars die in deze tijd gebouwd werden als gevolg van deze omstandigheden, erg matig. Het resultaat hiervan weten we nu zo’n 30 jaar later omdat er nog maar weinig Coupé’s hun orginele lak hebben, als ze al rondrijden. Want er zijn inmiddels zoals hieronder zichbaar is, van de toch al beperkt geproduceerde XJC’s, heel veel als gevolg van roest verloren gegaan….

Jaguar stond bekend om haar luxe en elegante uitstraling hetgeen ook in het interieur tot uitdrukknig kwam. De stoffering van het interieur van de Coupé werd in die tijd volledig met de hand vervaardigd. De lederen huiden werden allereerst door specialisten gecontroleerd op foutjes en patronen. Hierna werden de huiden zolang gekleurd tot dat ze de tint hadden die de ontwerper voor ogen had. De lederkleuren moesten immers matchen met een aantal van de exterieur kleuren zodat één kleurstelling in meerdere exterieur kleuren toepasbaar was. De met de hand gesneden huiden werden hierna eveneens handmatig, over de hoge kwaliteit foam die op de met stalen buizen frames gefabriceerde zetels zat, gespannen. Klanten konden voor de afwerking van de zetels uit twee soorten bekleding kiezen, te weten leder en stof. Het leder was het luxueuse Connolly leer dat bekend stond om zijn comfort en stevigheid. Er werden niet zoveel Coupé’s met stoffen bekleding geproduceerd….

De Coupé had achterin iets minder ruimte dan de vierdeurs uitvoering waarbij de passegiers door middel van vooroverklappende stoelen konden instappen. Ook voor de achterpassagiers waren er veiligheidsriemen geplaatst. In het midden van het ruggedeelte van de achterbank zit een een lederen armsteun die naar beneden kan worden geklapt. Aan de achterkant van het middenconsole kunnen de passagiers net als voorin zelf de ventilatoren van de verwarming of de airconditioning bedienen. Ook zitten er knoppen voor de elektrisch bedienbare achterramen zodat de achterpassagiers zelf hun ramen konden bedienen. De bestuurder heeft dáár overigens wel controle over door middel van een extra knop die als een soort “kinderslot” fungeerd en was aan de voorkant van het middenconsole van de bestuurderskant geplaatst. Het handschoenen kastje en een opbergvak onder de armsteun van het midden console bieden ruimte voor allerhande spullen. Daarnaast heeft het handschoenenkastje een leuk opklapbaar spiegeltje voor ijdeltuiten….